Stel cookie voorkeur in

Wat is Jenaplanonderwijs?

Het Jenaplanonderwijs vindt plaats in een leef- en leergemeenschap van kinderen, groepsleiders en ouders. Op de Heijenoordschool richten we ons op de totale ontwikkeling van het kind en werken we in stamgroepen met kinderen van verschillende leeftijden. Het gaat om kennis, vaardigheden, attitude en gedrag. 

De creatieve en sociaal-emotionele ontwikkeling vinden we minstens zo belangrijk als de cognitieve ontwikkeling. Ons Jenaplanonderwijs is:

ontwikkelingsgericht  |  coöperatief  |  wereldoriënterend  |  kritisch  |  zinzoekend

Kinderen leren om samen te werken, hun werk te plannen, creatief te denken, flexibel te zijn en zelfstandig te functioneren.

Stamgroepen

Omdat kinderen heel verschillend zijn, kunnen ze veel van elkaar leren. Dat is waarom wij met groepen van verschillende leeftijden werken. Een stamgroep bestaat uit drie jaargroepen. Het is de omgeving waarin het kind leert, werkt en leeft. In een stamgroep van de onderbouw zitten kinderen van groep 1 en 2. In een stamgroep van de middenbouw zitten kinderen van de groepen 3, 4 en 5. En in een stamgroep van de bovenbouw zitten kinderen uit de groepen 6, 7 en 8. 

Het kind ervaart wat het betekent om de jongste, de middelste en de oudste in een groep te zijn. Vier à vijf kinderen van verschillende leeftijden werken aan dezelfde groepstafel. Het verschil in leeftijd zorgt voor een gevarieerde inbreng. De kinderen helpen elkaar en leren van elkaar. 

Iedere stamgroep heeft zijn eigen groepsruimte, de klas, die samen met de kinderen wordt ingericht en beheerd. Zo leren ze verantwoordelijk te zijn voor de ruimte waarin zij leren, werken en leven.

Naast de stamgroep kennen we ook clusters. Een cluster is een samenstelling van een onder-, midden en bovenbouw stamgroep. Zo leert een kind uit groep 1 iets van een kind uit groep 4 of groep 8 of andersom. 


 

De vier basisactiviteiten

We kennen binnen het Jenaplan vier belangrijke basisactiviteiten: spreken, spelen, werken en vieren. Deze activiteiten wisselen elkaar volgens een vast rooster af tijdens de dag en de week. Zo leren de kinderen op verschillende manieren; met het hoofd, het hart en de handen.
 

Gesprek

De interactie tussen de kinderen en het kringgesprek is belangrijk. De kinderen leren een verhaal goed op te bouwen, goede vragen te stellen, actief te luisteren naar elkaar, te wachten op hun beurt en feedback te geven. Door samen over een onderwerp te praten, leren ze een mening te vormen en ontdekken ze beetje bij beetje de wereld. We onderscheiden verschillende soorten kringen. Voorbeelden daarvan zijn de vertelkring, de verslagkring, de boekenkring, de  nieuwskring, de instructiekring, de observatiekring en de evaluatiekring.
 

Spel

Allerlei activiteiten waarbij de kinderen door middel van ‘spel’ aan het leren zijn vallen onder deze basisactiviteit. Zoals leerspellen, drama, rollenspel, buitenspel en fantasiespel. Het kind bootst spelenderwijs situaties na uit zijn directe leefomgeving en komt zo tot spelen. Hierdoor leert het kind veel op cognitief, sociaal, emotioneel en motorisch gebied. Spelen vormt een wezenlijke bijdrage aan de harmonische ontwikkeling van kinderen.


Werk

Van de vier basisactiviteiten is werk de activiteit waar de kinderen zich het meest mee bezig houden. In de onderbouw gaat het om spelend leren, in de midden- en bovenbouw gaat het om schoolse vakken en cognitieve activiteiten zoals rekenen, spelling, taal en wereldoriëntatie. We werken in blokperiodes van 45 tot 90 minuten. Een deel van de kinderen krijgt instructie in groepjes van hun eigen niveau en de andere kinderen werken op dat moment zelfstandig. In overleg met de stamgroepsleider bepalen de kinderen wat ze gaan doen, hoe ze dat gaan doen en met wie ze eventueel samenwerken. Zij kunnen kiezen uit verschillende activiteiten, die per bouw verschillen.

 

       Viering

Met onze vieringen staan we stil bij een bijzonder moment. Het benadrukt dat de kinderen deel uitmaken van een gemeenschap. Het gaat om feesten zoals een verjaardag of Sinterklaas en om bijvoorbeeld een wereldoriëntatieproject samen te starten of af te sluiten. Kinderen laten aan elkaar zien wat ze geleerd, gedaan of gemaakt hebben. Ze leren zich te presenteren, het ontwikkelt hun fantasie en creativiteit. Het brengt gevoel bij voor stijl, mooie dingen, ontroering en humor. Een viering is een weerspiegeling van wat er zich op dat moment binnen de groepen van onze school afspeelt en zorgt voor een hechte onderlinge band.

 

 

Lekker in je vel

Een belangrijk uitgangspunt van het Jenaplanonderwijs is dat een kind makkelijker en beter leert als het ‘lekker’ in z’n vel zit. Binnen onze school is er veel aandacht voor de sociaal emotionele ontwikkeling van een kind. We leren kinderen ruimte te geven aan anders-zijn, aan elementen die anders zijn dan die zijzelf kennen. Wanneer er voldoende ruimte en veiligheid is om jezelf te zijn, kun je die ruimte ook aan een ander geven. Zulke stappen in de ontwikkeling van kinderen zijn niet vanzelfsprekend. Wij begeleiden ze daarin en maken hiervoor gericht tijd vrij in onze stamgroep.

Wereldoriëntatie

In een Jenaplanschool is wereldoriëntatie het belangrijkste vormingsgebied. Wereldorientatie biedt de mogelijkheid voor een intensieve ontmoeting tussen de wereld buiten school en de wereld in school. De lesstof wordt ontleend aan de leef- en belevingswereld van kinderen. Door te ervaren, ontdekken en onderzoeken vergroten ze sneller hun vaardigheden en kennis. Kinderen leren om te gaan met de natuur, de mensen dichtbij en verder weg en met vragen rond de zin van het leven en de wereld. Ze zijn meestal lerend en ontdekkend bezig in de vorm van projecten.        

 

'Ik zit in groep 4 maar ik reken mee met de 5e jaars. Ik vond dat eerst wel spannend, maar ze zijn heel aardig.'

 

'Over leren gesproken'

  • Leren doe je zelf, kinderen construeren zelf hun kennis;
  • Kinderen leren verschillend en hebben verschillende intelligenties;
  • Spelend en gericht leren;
  • Aandacht voor leren leren;
  • Integraal leren, in een zo echt mogelijke situatie;
  • Kinderen leren aandacht te hebben voor duurzaamheid en geschiedenis;
  • Leren door samen te  werken;
  • Ontdekkend leren in een  omgeving die dat uitnodigt;
  • Kinderen mogen en kunnen activiteiten kiezen;
  • Kinderen uitdagen om te presteren, tot hun grens te gaan;
  • Kinderen werken aan zelfkennis door reflectie;
  • Verwonderen is leren, filosofische onderwerpen;
  • Leren kijken vanuit verschillende perspectieven;
  • Belevenissen samen vieren, zorg en aandacht voor elkaar, we horen bij elkaar.